Dagboek van mijn moeder | Slagersvrouwen

731 VIEWS
Dagboek van mijn moeder | Slagersvrouwen

Na jaren hervindt Berna van der Linden weer het contact met haar moeder. Niet in levenden lijve, maar via de dagboeken waarin haar moeder de dagelijkse perikelen van het leven op eigengereide wijze beschreef. Overpeinzingen uit het verleden die Berna aan het denken zetten over haar eigen leven, of zelfs een spiegel voorhouden. De creatieve en non-conformistische schrijversgeest blijkt in ieder geval erfelijk: Berna’s humoristische en soms ontroerende reflecties op haar moeder’s leven lees je op Paradijsvogels Magazine in het ‘dagboek van mijn moeder’.


Woensdag 12 oktober 1988: (…) En om drie uur naar de zaal. Met de Bruin gepraat. Over de fam. Agterberg. Die kent hij ook goed. Slagers gingen altijd met elkaar een dag per jaar uit. Omdat zij naast me stond op het zangkoor vertelde ze mij veel van het werk als vrouw van een slager met ook nog eens tien kinderen en toen nog armoe. Later pas kregen ze het rijk. Om vier uur thuis.(…)

In de tijd van mijn moeder waren slagers vlezige, meestal rossige types met gespierd torso en bulderend spraakvermogen. De vrouwen waren stevig of juist heel dun, met kijvende stem of een hele schrille. De rondborstige stak je altijd een royale plak worst toe en van de pinnige kreeg je nog niet eens het velletje om op te zuigen! De slagers praatten hard, lachten hard, oordeelden ongenuanceerd en hadden altijd de beste stadsroddel van de buurt. Als kind gingen we er graag naar toe om een boodschap, omdat onze smachtende ogen meestal – behalve in het geval van de pinnige – werden beloond met een kontje metworst.

Er zat er één op de hoek van de Amandelstraat en het Ondiep en er zat er een op de hoek van het Ondiep en de Boerhaavelaan. De eerste beantwoordde aan de grove uitvoering, de andere aan de meer fijnbesnaarde, evenals de flintertjes worst die zijn vrouw, bij gratie Gods – maar dan moest je wel een hele goeie klant zijn – aan de kinderen wilde afstaan.

“Het turen door de kieren en reten van de schutting gaf er een extra dimensie aan: de ontdekking dat iets dergelijks, dat ik alleen uit boeken kende, ook werkelijk bestond.”

De eerste slager staat me nog het beste bij. Als we om een boodschap gestuurd werden, moesten we alleen de Amandelstraat uit lopen. Het grootste obstakel daarbij was de kaboutertuin, waar ik langs moest. Dat was de achtertuin op de hoek van de Amandelstraat en de Pijnboomstraat. Met het boodschappenbriefje waarin het geld zat gevouwen, stevig in de knuisten geklemd, moest ik altijd even gluren.

Daar was een weldadig kabouterparadijs geschapen. Ze grijnsden me aan van onder hun lantaarns op steeltjes, vanaf ronde boogbruggetjes over klaterende riviertjes. Ze stapten stevig voort met knapzakken op de rug of lagen lui op hun rug in het gras met een wit bloemetje in de mond te kijken in het oneindige blauwe zwerk. Ik kon er geen genoeg van krijgen.

Het was nog een tijd zonder nep en namaak, zonder plastic of klatergoud, en ik liet me wegvoeren op de intense beleving naar een andere wereld onder handbereik. Het turen door de kieren en reten van de schutting gaf er een extra dimensie aan: de ontdekking dat iets dergelijks, dat ik alleen uit boeken kende, ook werkelijk bestond.

Na minuten – of waren het uren..? – met mijn oog tegen de schutting aangeplakt te hebben gezeten werden mijn knieën rood en begon het briefje met de centen in mijn zak te branden. De overgang van dit paradijs naar de slager kwam altijd als een ontluistering. Het eerste wat me tegemoet zwaaide waren de karkassen aan hun grote haken. Nog niet ontdaan van schouders en hammen luisterden ze in volle glorie de winkel op.

“Het is nooit meer goed gekomen met mij en de liefde voor de slager of zijn vrouw. Zelfs met vlees heb ik een vage verhouding”

Het mocht gezien worden. Zo vers als vers kon zijn. De slager met zijn scherpe mes en de messenslijper, die hij met groots machtsvertoon hanteerde, op, neer, op, neer en de schelle klank van staal op staal, lieten me ineen krimpen tot de grootte van de kabouters uit mijn andere wereld. De slager was een reus.

Het is nooit meer goed gekomen met mij en de liefde voor de slager of zijn vrouw. Zelfs met vlees heb ik een vage verhouding, ontstaan in die winkel met de varkenskoppen en de poten, de karkassen en de tong in de vitrine. Ik zou nooit de vrouw van een slager kunnen zijn. Geef mij maar kabouters!

Lees ook de eerder verschenen edities van Dagboek van mijn moeder: Niet zeuren, Lena! of Zondags pak.

MEER INSPIRATIE

Prachtig initiatief tegen eenzaamheid: studenten gaan op kamers in een verzorgingshuis
Dit Scandinavische ecodorp ligt op nog geen half uur van Amsterdam
Weilandgeur in een potje: deze jonge vrouw helpt demente ouderen met praten
In dit Japanse restaurant werken alleen maar mensen met dementie